Concept december 2000
Voorlopige optie: Anesthesie
bij de adenotonsillectomie volgens Sluder
Een
NVA-optie is een onder verantwoordelijkheid van het bestuur (van een sectie)
opgestelde aanbeveling of reeks
aanbevelingen die de anesthesioloog tot hulp kan zijn bij het medisch handelen
in een omschreven klinische situatie. Een optie is richtinggevend maar niet
verplichtend. Een anesthesioloog is vrij de aanbevelingen in een optie naar
eigen inzicht geheel of gedeeltelijk over te nemen, dan wel naast zich neer leggen.
Opties geven basale aanbevelingen en kunnen gebaseerd zijn op een analyse van
de literatuur, de synthese van het oordeel van deskundigen en uitkomsten van
discussies tijdens wetenschappelijke bijeenkomsten. In tegenstelling tot
richtlijnen ontbreekt het bij opties aan voldoende wetenschappelijk bewijs voor
de aanbevelingen.
I.
Omschrijving van het probleem
In ons land wordt bij kinderen de
adenotonsillectomie (ATE) in de meeste gevallen uitgevoerd volgens de methode
van Sluder. Hierbij worden de tonsillen manueel los gemaakt en vervolgens met
de guillotine-tonsillotoom vlg Sluder verwijderd. Het adenoïd wordt blind uit
de nasofarynx gecuretteerd. De ingreep is vaak binnen enkele tientallen
seconden voltooid. Traditioneel wordt de patiënt zittend onder inhalatieanesthesie
behandeld, zonder intubatie, zonder intraveneuze toegangsweg en zonder
monitoring. Direct na de ingreep wordt het kind in stabiele zijligging
geplaatst en wordt zuurstof toegediend. De anesthesietechniek is zodanig dat
het kind onmiddellijk na de ingreep
weer over zijn protectieve reflexen beschikt en ontwaakt.
Deze anesthesietechniek staat al vele jaren ter discussie. Tegenstanders wijzen er op dat de techniek indruist tegen belangrijke principes binnen de anesthesiologie en noemen het gevaar van aspiratie, desaturatie en hartritmestoornissen, het ontbreken van een intraveneuze toegangsweg, het gebrek aan monitoring en de grote kans op awareness. Zij pleiten voor intubatie, een intraveneuze toegangsweg en voor het toepassen van tenminste polsoxymetrie. Voorstanders van de techniek vinden dat door het inbrengen van een infuusnaald en door intubatie de duur van de procedure nodeloos wordt verlengd , terwijl nooit is aangetoond dat daarmee de veiligheid toeneemt.
II. Doel van de optie
Het aantal adenotonsillectomieën bij
kinderen onder 15 jaar dat in ons land wordt verricht vertoonde in periode
1970-1990 een gestaag dalende lijn,
maar lijkt zich de laatste tien jaar te stabiliseren rond dertigduizend
ingrepen per jaar (bron: SIG). Zowel binnen de opleiding voor KNO-arts als
binnen die voor anesthesioloog wordt de Sludertechniek bij de zittende
niet-geïntubeerde patiënt zonder monitoring en intraveneuze toegangsweg als
obsoleet beschouwd. Doel van deze optie is om praktische aanbevelingen te doen
om de kwaliteit van zorg rond deze ingreep te verbeteren.
III. Doelgroep
De optie is bedoeld voor anesthesiologen en onder hun verantwoordelijkheid werkende personen.
IV. Analyse van de
beschikbare kennis
Ons land neemt een uitzonderingspositie in
als het gaat om de operatie- en de anesthesietechniek bij de
adenotonsillectomie bij kinderen. In het buitenland is de Sludertechniek al
decennia geleden verlaten voor de dissectie en is de discussie intuberen of
niet al in de jaren zeventig beslecht ten voordele van intubatie(1). Uit een
MEDLINE-search met de trefwoorden adenotomy,
tonsillectomy, anesthesia blijkt
dat er geen gerandomiseerde, prospectieve onderzoeken zijn, waarbij de
uitkomsten van anesthesie bij al dan niet-geïntubeerde patienten met elkaar
zijn vergeleken. In eigen land zijn er
sinds 1970 vijf oorspronkelijke artikelen over de anesthesie bij de
adeno-tonsillectomie verschenen.
Reeds in 1973 beschreef Van Nouhuys (2) bij
156 kinderen die een ATE ondergingen onder inhalatieanesthesie zonder intubatie
ritmestoornissen. Knape (3) onderzocht in 1988 aan de hand van een door hem
uitgevoerde enquête onder anesthesiologen de in ons land gebruikte
anesthesietechniek voor (A)TE bij kinderen onder de 15 jaar. Slechts 11,5% van
de patiënten werd geïntubeerd, terwijl 87,3% van hen niet geïntubeerd de
ingreep ondergingen. Bij de niet-geintubeerde patiënten had de zittende positie
met 78,1% veruit de voorkeur. Maar 7,4% werd liggend geopereerd. Bij 76,4% van
de patiënten werd geen enkele vorm van monitoring
toegepast. Bij de resterende patiënten werd een of meerdere vitale parameters
bewaakt, waarbij ECG al of niet in combinatie met plethysmografie het meest
werden toegepast. Polsoxymetrie werd in 1988 slechts in 2,1% gebruikt. Knape
signaleert een tendens in de academische centra om te kiezen voor intubatie en
voor het gebruik van monitoring.
In een prospectief gerandomiseerd onderzoek
vergeleek Knape (4) de arteriële zuurstofsaturatie bij 84 kinderen bij wie een
(adeno)-tonsillectomie werd verricht onder inhalatieanesthesie met halothaan in
zuurstof-lachgas 1:1. De helft van de kinderen was geïntubeerd, de andere helft
niet. In de groep die niet geïntubeerd was kwamen perioden van hypoxemie
aanmerkelijk vaker voor, dan in de groep die geïntubeerd was. Voor Knape reden
te pleiten voor inhalatieanesthesie met endotracheale intubatie. Als bijkomend
voordeel noemt hij dat deze anesthesietechniek een verbetering van de
operatieomstandigheden mogelijk maakt, waardoor er betere hemostase is te
bereiken en nabloedingen (een belangrijke complicatie) minder vaak zullen
voorkomen.
Van der Werff(5) deed een prospectief
onderzoek bij 80 kinderen,die kleine
KNO-ingrepen ondergingen , en bestudeerde het verloop van de zuurstofsaturatie. De ingreep werd uitgevoerd
zonder intubatie en in liggende houding. Er werd geen vergelijk gemaakt met de
zittende houding aangezien reeds was aangetoond dat hier de kans op
hypoxemie hoog was . In de ATE-groep
trad geen hypoxemie op maar in de groep van middenoordrainage met een AD/ATE
werd dit wel gezien.
In een retrospectief onderzoek in een
academische setting (n= 1011) gingen Mulder et al (6) na of er verschillen
waren tussen kinderen die - al dan niet geïntubeerd - een adenotonsillectomie
ondergingen onder zuurstof-lachgas-halothaan anesthesie. Er werd gekeken naar
het optreden van nabloedingen, het achterblijven van tonsilresten, de duur van
de ingreep (incl. verkoevertijd), het optreden van braken, koorts en
stoornissen in de spraak.
In de groep niet-geintubeerde kinderen
(n=511) bleek vaker een tonsilrest
achter te blijven (11,7% vs 3,8%), de ingreep incl. verkoeverperiode zelden
langer dan 15 min te duren ( 16,8% vs 79,6%) en minder frequent post-operatief
koorts op te treden (12.3% vs 19,4 %). Bij de overige genoteerde uitkomsten
(aantal nabloedingen, incidentie van braken en spraakstoornissen) was er tussen
de groepen geen verschil. Gezien de hogere incidentie van resttonsillen in de
niet-geïntubeerde groep pleiten de onderzoekers ervoor in een
opleidingssituatie waar KNO-artsen de Sludertechniek moeten leren de patiënten
te intuberen. Zij benadrukken dat deze aanbeveling niet geldt voor de perifere
setting, waar een ingespeeld team van anesthesioloog en kno-arts mogelijk tot
een lagere incidentie van complicaties
komen.
Na
beschouwing van de literatuur moet geconcludeerd worden, dat er geen
buitenlandse literatuur bestaat die is toegespitst op de Nederlandse situatie.
De beperkte literatuur uit eigen land is gedateerd. Zowel de Nederlandse als de
buitenlandse literatuur biedt onvoldoende
basis om wetenschappelijk gefundeerde uitspraken te doen over
discussiepunten als het al dan niet intuberen, de houding tijdens de ingreep,
of het al dan niet inbrengen van een intraveneuze toegangsweg. ‘The voluminous literature on tonsillectomy and adenoidectomy consists
mainly of opinion’
(7).
V. Inhoud van deze optie
Samenwerking
Daar KNO-arts en anesthesioloog bij deze
ingreep het werkterrein delen, vraagt de ingreep een goed samenspel tussen hen
beiden. De klassieke anesthesietechniek voor ATE ( niet-geïntubeerd) is alleen verantwoord als
KNO-arts en anesthesioloog daar beiden
bekwaam in zijn. De anesthesioloog bepaalt uiteindelijk de anesthesietechniek.
Preoperatief onderzoek
De KNO-arts en de anesthesioloog verrichten
ieder op hun eigen terrein anamnese en lichamelijk onderzoek. De KNO-arts is
verantwoordelijk voor de indicatiestelling . Het preoperatief anesthesiologisch onderzoek is
gericht op het voorkomen van peri-operatieve complicaties en bestaat in ieder
geval uit anamnese en lichamelijk onderzoek. Laboratorium- en aanvullend
onderzoek wordt alleen op indicatie verricht.
Premedicatie
Gezien de korte duur van de ingreep is het
gewenst reeds pre-operatief met de pijnstilling te beginnen in de vorm van
orale of rectale medicatie. (Paracetamol 100 mg/kg/24 uur; 1ste gift
30 mg/kg oraal, 40 mg/kg rectaal). De ratio van het geven van anticholinergica
(atropine) ter voorkoming van ritmestoornissen is dubieus. (zie ska website :
www.ska-nva.org , optie atropine in de
premedicatie bij kinderen)
Risico-ingreep
Mede door de korte duur van de ingreep meent
de werkgroep dat de ATE – zeker bij een niet-beschermde luchtweg - een
risico-ingreep is in de zin van het NVA-standpunt over de anesthesiologische
praktijkuitoefening(8). Dit impliceert
dat de anesthesioloog gedurende de hele ingreep aanwezig dient te zijn.
Houding
In het bijzonder wanneer niet geïntubeerd wordt, geeft de werkgroep de voorkeur aan een liggende patiënt met afhangend hoofd boven de zittende houding(3), omdat bij een liggende patiënt de ademweg beter vrij te houden is en dat de kans op aspiratie en het inslikken van bloed (misselijkheid!) en weefselresten kleiner is.
Intubatie
De werkgroep meent dat intubatie voordelen
heeft boven anesthesie zonder intubatie. Intubatie garandeert een vrije
luchtweg , voorkomt aspiratie en geeft de mogelijkheid tot een betere
pijnstilling. Bovendien heeft de operateur meer tijd, waardoor de ingreep
zorgvuldiger kan worden uitgevoerd (minder kans op tonsilresten, mogelijkheid
tot betere hemostase). Daarnaast voorkomt intubatie overmatige blootstelling
van operateur, anesthesioloog en operatiekamerpersoneel aan narcosedampen en
–gassen. Voordeel van anesthesie
zonder intubatie is feitelijk alleen de tijdswinst.
Monitoring
Peri-operatief treden bij de ATE bij
niet-geïntubeerde zittende patienten frequent perioden van hypoxemie op (3).
Naar het oordeel van de werkgroep is het gebruik van een polsoxymeter verplicht
om deze bijtijds op het spoor te komen en te kunnen behandelen. Op indicatie
kan de monitoring worden uitgebreid.
Intraveneuze toegangsweg
Om ingeval van calamiteiten (bv. ernstige
laryngospasme, hartstilstand) direct medicatie te kunnen toedienen acht de
werkgroep het inbrengen van een intraveneuze toegangsweg noodzakelijk. Deze kan
dan ook worden gebruikt voor het toedienen van kortwerkende opiaten als
peri-operatieve pijnstilling en post-operatief vocht.
Nabloeding
Nabloeding na een ATE treedt meestal binnen
6 uur op. De primaire nabloeding wordt verantwoordelijk gesteld voor de helft
van de mortaliteit na een ATE. De anesthesioloog krijgt dan te maken met een
niet-nuchtere patiënt, die een onbekende hoeveelheid bloed heeft verloren. Er
bestaat een kans op anemie, hypovolemie en aspiratie. Dit vraagt een benadering
als bij iedere niet nuchtere patient.
Locatie van de ingreep en apparatuur
Deze dienen te voldoen aan de eisen
vastgesteld in het verenigingsstandpunt van de NVA(8)
VI. Totstandkoming
Deze optie is opgesteld door een werkgroep
van de sectie Kinderanesthesie (N.M. de Zwaan, mw J. Bouwmeester en mw D.B.M. van der Werff), die daarvoor
overleg heeft gevoerd met het bestuur van de NVA en een delegatie van de
Nederlandse Vereniging voor KNO-heelkunde en chirurgie van het hoofd-halsgebied
(J.H.Hulshof, prof.dr.G.J.Hordijk en J.M.M.van Overbeek). De optie is
vastgesteld door de vergadering van de sectie
in november 2000
VII.
Geldigheid van deze optie
NVA-opties worden regelmatig geactualiseerd.
De gebruiker dient er op te letten dat hij gebruik maakt van de meest recente
versie.
De optie anesthesie bij de
adeno-tonsillectomie is te vinden op de
NVA/ SKA- website.
NVA-opties zijn actueel ten tijde van de
dagtekening. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker op de hoogte te
zijn van relevante informatie die beschikbaar is gekomen na de publicatie van
deze optie. De geldigheidsduur van deze optie verloopt 5 jaar na de dagtekening,
tenzij de geldigheidsduur wordt verlengd.
VIII.
Dagtekening:
Literatuur:
1. Weigand H. Tonsillektomie und Adenotomie in
intubationsnarkose?
Z Prakt Anaesthesiol 1971; 6: 84-100.
2. Nouhuys van F. Afwijkingen in het
elektrocardiogram tijdens adenotonsillectomie (Sluder) onder
narcose. Ned Tijdschr Geneeskd 1973;117:137-41
3. Knape JTA. Anesthesietechnieken voor
adenotomie en (adeno)tonsillectomie bij kinderen onder de 15 jaar in Nederland.
Ned Tijdschr Geneesk 1988; 132: 923-927
4. Knape JTA. Het verloop van de arteriële
zuurstofsaturatie bij twee anesthesietechnieken voor (adeno)tonsillectomie bij
kinderen Ned Tijdschr Geneesk 1988; 132, 919-922.
met
naschrift 1988; 132, 1630-2.
5. Van der Werff DBM,Zuurmond WWA. Meting van
de arteriele zuurstofsaturatie bij kleine KNO-ingrepen onder
inhalatie-anesthesie bij kinderen.Ned Tijdschr Anesth 1991;2:63-65
6. Mulder JJS, de Monnink JP, de Grood PMRM.
Adenotonsillectomie volgens Sluder: met of zonder intubatie? Ned Tijdschr
Geneeskd. 1995; 139:2730-2
7. Paradise
JL. Bluestone CD, Toward rational
indications for tonsil and adenoid surgery. Hospital Pract 1976:11:79-87
8. De anesthesiologische praktijkuitoefening.
Verenigingsstandpunten Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie. Utrecht;
NVA, 1999.
Dec/ 2000/rtg /nz/ska